Spaanse erfenis valt niet in huwelijksgemeenschap

M (van Spaanse nationaliteit) en V (van Nederlandse nationaliteit) zijn in 1996 in Nederland in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Het echtpaar woont in Nederland. In 2005 overlijdt de vader van M, die de Spaanse nationaliteit had. Uit die nalatenschap ontvangt M (afgerond) € 90.000.

Lees meer

Afwijzing vordering moeder tot verbod op verhuizing vader

Uit de affectieve relatie tussen M en V is in 2007 zoon Z geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Het gezin woont in [A]. In 2016 beëindigen partijen hun relatie en samenwoning. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij M. Ten aanzien van hem zijn partijen co-ouderschap overeengekomen (‘week op, week af’). In april 2021 gaat Z bij V wonen. Sindsdien heeft hij zo goed als geen contact meer met M, die voornemens is naar [B] te verhuizen.

Lees meer

Mantelzorgende echtgenote kan geen rechten ontlenen aan langstlevende-testament

Erflater M heeft een testament opgesteld voor zijn tweede echtgenote X. Zij hebben elkaar leren kennen door de zorg die X via een thuiszorgorganisatie aan M verleende. Thans heeft de rechtbank geoordeeld dat X op grond van artikel 4:59 lid 1 BW geen rechten kan ontlenen aan de inhoud van het testament.

Lees meer

Hoge Raad beantwoordt prejudiciële vragen over ontslagverzoek bewindvoerder/mentor

V heeft twee inmiddels meerderjarige dochters, onder wie D. In 2017 wordt het vermogen van V onder bewind gesteld, waarbij A tot bewindvoerder wordt benoemd. In 2018 wordt professional B tot mentor van V benoemd.

Lees meer

Inboedel is gemeenschappelijk

 M en V hebben een affectieve relatie met elkaar en wonen samen in een huurwoning. Op enig moment verbreken zij hun relatie en samenwoning, als V de huurwoning verlaat en elders haar intrek neemt.

V vordert veroordeling van M om de door haar genoemde roerende inboedelzaken (die zijn achtergebleven in de huurwoning) aan haar af te geven. M betoogt dat V op geen enkele manier bewijs heeft geleverd dat de zaken die zij terugvordert haar eigendom zijn.

Lees meer

Uitsluitingsclausule geldt niet voor eerder overgedragen economische eigendom

M en V zijn in 1994 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In 2015 gaan zij feitelijk uiteen, in 2020 wordt hun huwelijk door echtscheiding ontbonden.

Partijen twisten over de vraag hoe de voormalig echtelijke woning in de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap moet worden betrokken. V stelt dat zij de economische eigendom van de woning heeft.

Lees meer

No-claimkorting valt niet in huwelijksgemeenschap

M en V zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In 2016 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De ontbonden huwelijksgemeenschap is nog altijd niet (volledig) verdeeld.

V vordert verdeling van de schadevrije jaren (lees: de no-claimkorting) die zijn opgebouwd in de verzekering van de tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behorende auto.

Lees meer

Kinderalimentatie en forfaitaire woonlast

Uit de – in 2015 beëindigde – affectieve relatie tussen M en V zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij V. In onderling overleg hebben partijen de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 225 per kind per maand.

V verzoekt de rechtbank de door M aan haar te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juli 2019 gewijzigd vast te stellen op € 340 per kind per maand. De rechtbank wijst het verzoek af en stelt de door M te betalen onderhoudsbijdrage vast op € 162 per kind per maand. In hoger beroep bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank (ECLI:NL:GHARL:2020:4379).

Lees meer

Wijziging overeenkomst kinderalimentatie wegens grove miskenning wettelijke maatstaven

M en V hebben sinds 2002 een affectieve relatie met elkaar. Uit die relatie zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2016 verbreken partijen hun relatie. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij V. Tussen hen en M is een omgangsregeling van kracht. Op 24 juli 2016 hebben partijen een overeenkomst ondertekend, waarin zij de door M aan V te betalen kinderalimentatie hebben vastgesteld op € 300 per kind per maand.

V verzoekt de rechtbank, met een beroep op artikel 1:401 lid 5 BW (grove miskenning van de wettelijke maatstaven), de door M aan haar te betalen kinderalimentatie gewijzigd vast te stellen op € 1.135 per kind per maand. De rechtbank wijst het verzoek af. V gaat in hoger beroep. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en stelt de door M aan V te betalen kinderalimentatie met ingang van 24 juli 2016 vast op € 1.053 per kind per maand (ECLI:NL:GHARL:2019:11169). M gaat in cassatie.

Lees meer

Alimentatie en zwarte inkomsten

M en V zijn in 2012 met elkaar getrouwd. Uit het huwelijk zijn drie (nu nog minderjarige) kinderen geboren. M is zelfstandig ondernemer en exploiteert een coffeeshop. In 2019 gaan partijen feitelijk uiteen. De kinderen wonen bij V.

In het kader van de lopende echtscheidingsprocedure verzoekt V de rechtbank de door M aan haar te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 1.896 per kind per maand en de partneralimentatie op € 8.744 netto per maand. Volgens V leefden partijen tijdens hun huwelijk van circa € 20.000 netto per maand, waarvan het merendeel ‘zwart’ werd verdiend. M betwist dat en stelt dat hij geen andere inkomsten heeft dan die in zijn belastingaangiften staan vermeld (de winst van zijn onderneming) en dat partijen circa € 4.000 netto per maand te besteden hadden.

Lees meer