Vaststelling kinderalimentatie overeenkomstig ouderschapsplan

Uit de affectieve relatie tussen M en V is in 2010 zoon Z geboren. In 2018 beëindigen partijen hun relatie en samenwoning. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij V. In het door hen in 2018 ondertekende ouderschapsplan hebben partijen de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 300 per maand.

Lees meer

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden met finaal ‘alsof’ verrekenbeding

M en V zijn in 1976 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, waarvan artikel 9 luidt: ‘Ingeval het huwelijk wordt ontbonden (…), vindt er verrekening van hun vermogens plaats zo, dat ieder van de partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten de algehele gemeenschap van goederen had bestaan. De verrekening heeft plaats naar de toestand ten tijde van de ontbinding van het huwelijk door de dood of ingeval van echtscheiding (…) naar de toestand per de aanvang van de dag van het instellen van een verzoekschrift daartoe. (…)’ De met hypotheek bezwaarde echtelijke woning is eigendom van V. Op 7 augustus 2018 dient M een echtscheidingsverzoek in bij de rechtbank. In 2019 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

Lees meer

Belegging in bitcoins loopt uit de hand

M en V zijn in 2005 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In 2019 gaan zij feitelijk uiteen. Inmiddels bevindt de echtscheidingsprocedure zich in de eindfase en is de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap aan de orde.

Tijdens het huwelijk heeft M eigenhandig gemeenschappelijk vermogen (spaargeld) aangewend voor beleggingen in bitcoins bij [naam]. Daarmee is hij slachtoffer geworden van zogenoemde broker- of boilerroom-fraude. Partijen twisten over de vraag of M hiermee de huwelijksgemeenschap heeft benadeeld zoals bedoeld in artikel 1:164 BW.

Lees meer

Behoort spaarrekening minderjarig kind tot huwelijksgemeenschap ouders?

M en V zijn in 2006 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk wordt in 2012 zoon Z geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Op 22 april 2015 openen partijen een spaarrekening voor Z, op 1 mei 2015 gaan zij feitelijk uiteen. In 2016 wordt hun huwelijk door echtscheiding ontbonden. In december 2019 boekt V het saldo van de spaarrekening van Z over naar haar eigen bankrekening. In februari 2020 wordt M belast met het eenhoofdig gezag over Z.

Lees meer

Man moet zich binnen drie dagen laten uitschrijven

M en V zijn in 2018 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is in 2019 kind K geboren. Het gezin woont in een huurhuis. Inmiddels zijn partijen in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. Bij beschikking voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank onder meer V bij uitsluiting gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke huurwoning, met bevel dat M de woning moet verlaten en verder niet mag betreden.

Lees meer

Nihilstelling kinderalimentatie

Uit het huwelijk tussen M en V zijn drie (nu nog minderjarige) kinderen geboren. In 2014 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij V. Tussen hen en M is een omgangsregeling van kracht. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 266 per kind per maand.

Lees meer

Opdrachtgever uitvaart kan kosten verhalen op erfgenaam-vereffenaar

D heeft aan een uitvaartondernemer opdracht verstrekt om de crematie van haar vader te verzorgen. Later ontdekt D dat zij is onterfd en dat zij niet de begunstigde is van de verzekeringsuitkering waarmee de uitvaart had kunnen worden betaald. Desondanks wordt D aangesproken door de uitvaartondernemer om de kosten van de uitvaart te voldoen.

Lees meer

Onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige (2)

Uit het huwelijk tussen M en V zijn twee kinderen geboren: in 1998 zoon Z en in 2001 dochter D. In 2007 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

V verzoekt de rechtbank de door M te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding en/of levensonderhoud en studie van Z vast te stellen op € 300 per maand. De rechtbank wijst het verzoek af. V en Z gaan in hoger beroep. Daarbij spitst het geschil zich toe op de hoogte van de behoefte van Z, die een MBO-opleiding volgt.

Lees meer

Onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige (1)

M en V zijn in 2005 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren. Uit een eerdere relatie van V is in 2002 dochter D geboren, die door M is erkend. In 2019 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

De rechtbank heeft de door M aan V te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van (de inmiddels jongmeerderjarige) D vastgesteld op € 93,57 per maand. V gaat in hoger beroep. D volgt een HBO-opleiding.
Volgens V moet de behoefte van D worden bepaald conform de normen voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Wet Studiefinanciering, ad € 897,56 per maand. De zorgtoeslag komt daarop in mindering. D heeft een lening bij DUO, zij ontvangt geen studiefinanciering in de vorm van een gift.
M betoogt dat er voor D niet veel is veranderd ten opzichte van haar behoefte als minderjarige. Indien wordt uitgegaan van de WSF-norm van € 897 per maand, moet de ontvangen zorgtoeslag in mindering worden gebracht, evenals de basishuur en de eigen inkomsten van D.

Lees meer

Samenlevingscontract kende geen vergoedingsrecht voor (latere) verbouwingen

M en V hebben sinds 1996 een affectieve relatie met elkaar en wonen sinds 2015 samen. In 2017 kopen zij gezamenlijk een woning. Ter gelegenheid daarvan sluiten zij een notarieel samenlevingscontract, waarvan artikel 6 lid 4 luidt: ‘Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (…) in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.’ In februari 2019 beëindigen partijen hun relatie en samenwoning.

Lees meer