Verhuizing Nijssen Advocatuur & Mediation

Met ingang van 1 juli 2019 verhuist Nijssen Advocatuur & Mediation naar haar nieuwe kantoor aan het Noordeinde 77 A te Roelofarendsveen.  Kantoor NoordeindeStrategisch gelegen tussen Leiden en Schiphol kunnen we zo ons werkgebied vergroten en toch dichtbij onze klanten zijn.  Parkeerproblemen zijn hiermee ook opgelost, u kunt parkeren op eigen terrein.
U bent vanzelfsprekend van harte welkom op ons nieuwe adres. Mocht u ons in Leiden willen bezoeken kan dat natuurlijk ook, na afspraak.
Gegevens zoals de e-mailadressen en telefoonnummers blijven ongewijzigd.

Wet herziening partneralimentatie

Op 21 mei jongstleden heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet herziening partneralimentatie. De verwachting is dat deze wet per 1 januari 2020 in werking zal treden. Wat gaat er veranderen na de inwerkingtreding van de Wet herziening partneralimentatie?

Lees meer

Grove miskenning wettelijke maatstaven / kinderalimentatie

M en V zijn met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk in 1998 zoon Z wordt geboren. In 2012 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 350 per maand. M is inmiddels hertrouwd met X.
In 2016 verzoekt M de rechtbank de door hem te betalen kinderalimentatie op nihil te stellen. De rechtbank wijst het verzoek af en stelt, bij beschikking van 2 februari 2016, de door M te betalen onderhoudsbijdrage vast op € 233 per maand. Drie dagen na die beschikking wordt Z meerderjarig. Op zondag 21 februari 2016 tekenen M en Z een overeenkomst, die luidt: ‘[Z] ontvangt € 50 per maand aan kinderalimentatie. Om [Z] te simuleren om een baantje te hebben voor minimaal 12 uur per week, krijgt [Z] € 25 extra kinderalimentatie. Dit is alleen van toepassing als [Z] daadwerkelijk werkt.’

Lees meer

Draagplicht hypothecaire lasten bij ongelijke eigendomsverhouding

M en V hebben een affectieve relatie met elkaar en kopen in 1991 een woning: V voor 2/3 en M voor 1/3 onverdeeld aandeel. De aankoop wordt gefinancierd met een gezamenlijke hypothecaire geldlening. Over de draagplicht van die schuld maken partijen geen nadere afspraken.
In 1992 trouwen partijen op huwelijkse voorwaarden (uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, periodiek verrekenbeding). In 2008 lost V € 45.000 af op de hypotheek met eigen vermogen. Twee jaar later, in 2010, wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

Lees meer

Erfgenamen door zuivere aanvaarding gedwongen om legaat uit eigen vermogen te voldoen

De kinderen van de erflater hebben zijn nalatenschap zuiver aanvaard, maar de omvang van de nalatenschap is onvoldoende om het legaat van € 100.000 “vrij van rechten en kosten” te voldoen.

Lees meer

Kinderalimentatie: gedachte achter het forfaitaire rekenstelsel woonlasten

Uit de affectieve relatie tussen M en V zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren, over wie V van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. In 2015 beëindigen partijen hun relatie en samenwoning. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij V.

De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 159 per kind per maand. V gaat in hoger beroep. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de werkelijke woonlasten van M, die aanzienlijk lager zijn dan de forfaitaire woonlasten.

Lees meer

Schenking onder uitsluitingsclausule niet aangetoond

M en V zijn in 2012 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2016 door echtscheiding is ontbonden. Partijen twisten over de verdeling van huwelijksgoederengemeenschap

V verzoekt de Rechtbank te bepalen dat zij een vordering van € 28.000 heeft op de gemeenschap, althans voor de helft op het privévermogen van M, in verband met een schenking onder uitsluitingsclausule door haar vader. V verwijst naar het door haar overgelegde rekeningoverzicht, waaruit blijkt dat haar vader op 31 oktober 2013 een bedrag van € 28.000 van zijn spaarrekening naar zijn lopende rekening heeft overgemaakt met de omschrijving ‘i.v.m. aflossing schenking [V]’ en vervolgens van zijn lopende rekening een zelfde bedrag naar de hypotheekbank van partijen heeft overgemaakt met de omschrijving ‘[M] en [V], extra aflossing’. De Rechtbank wijst het verzoek af. V gaat in hoger beroep.

Lees meer

Artikel 1:160 BW en de kosten van het rechercheonderzoek

Het huwelijk tussen M en V is in 2011 ontbonden door echtscheiding ontbonden. De Rechtbank heeft de door M aan V te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 255 per maand. Inmiddels heeft V in X een nieuwe partner gevonden.

M verzoekt de Rechtbank te bepalen dat zijn onderhoudsplicht jegens V met ingang van 22 februari 2015 van rechtswege is geëindigd, aangezien V en X sinds die datum met elkaar samenwonen als waren zij gehuwd (artikel 1:160 BW). M onderbouwt deze stelling door overlegging van een in zijn opdracht opgesteld rechercherapport.

Lees meer

Kinderalimentatie: aandeel stiefouder

Uit de affectieve relatie tussen M en V wordt in 2002 dochter D geboren, over wie V van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. In 2004 beëindigen partijen hun relatie. D heeft haar hoofdverblijfplaats bij V. Tussen M en D is een omgangsregeling van kracht. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 430 per maand. Op 10 juli 2015 treedt V in het huwelijk met X.

Lees meer

Boedelgevolmachtigde moest rekening en verantwoording afleggen, geldlening aan erfgenaam was na 20 jaar verjaard!

1.  Een erfgenaam heeft van de andere erfgenamen een volmacht gekregen om de nalatenschap te beheren. Volgens de Rechtbank is hij als deelgenoot in een gemeenschap op grond van artikel 3:173 BW verplicht om jaarlijks en in ieder geval bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording te doen wanneer een deelgenoot dat vordert. Een dergelijke vordering behoeft geen bijzondere onderbouwing.

2.  De erflater had in 1987 aan een van de erfgenamen een lening verstrekt, die te allen tijde opeisbaar was met in achtneming van een opzegtermijn van 3 maanden. Volgens de Rechtbank geldt voor deze lening een verjaringstermijn van 20 jaar (artikel 3:307 lid 2 BW), die is gestart in 1987. Daarnaast was aan de erflater een hypotheek verstrekt, zodat ook op grond hiervan die rechtsvordering een verjaringstermijn van 20 jaar had (artikel 3:323 lid 3 BW). De verjaringstermijn van 20 jaar zou wel kunnen zijn verlengd met 5 jaar door stuiting, maar volgens de Rechtbank is niet gebleken dat de erfgenaam door erkenning van de vordering ervoor heeft gezorgd dat de verjaring is gestuit.

Rechtbank Noord-Nederland 19 juli 2017, ECLI_NL_RBNNE_2017_2805