Onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige (2)

Uit het huwelijk tussen M en V zijn twee kinderen geboren: in 1998 zoon Z en in 2001 dochter D. In 2007 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

V verzoekt de rechtbank de door M te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding en/of levensonderhoud en studie van Z vast te stellen op € 300 per maand. De rechtbank wijst het verzoek af. V en Z gaan in hoger beroep. Daarbij spitst het geschil zich toe op de hoogte van de behoefte van Z, die een MBO-opleiding volgt.

Lees meer

Onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige (1)

M en V zijn in 2005 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren. Uit een eerdere relatie van V is in 2002 dochter D geboren, die door M is erkend. In 2019 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

De rechtbank heeft de door M aan V te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van (de inmiddels jongmeerderjarige) D vastgesteld op € 93,57 per maand. V gaat in hoger beroep. D volgt een HBO-opleiding.
Volgens V moet de behoefte van D worden bepaald conform de normen voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Wet Studiefinanciering, ad € 897,56 per maand. De zorgtoeslag komt daarop in mindering. D heeft een lening bij DUO, zij ontvangt geen studiefinanciering in de vorm van een gift.
M betoogt dat er voor D niet veel is veranderd ten opzichte van haar behoefte als minderjarige. Indien wordt uitgegaan van de WSF-norm van € 897 per maand, moet de ontvangen zorgtoeslag in mindering worden gebracht, evenals de basishuur en de eigen inkomsten van D.

Lees meer

Samenlevingscontract kende geen vergoedingsrecht voor (latere) verbouwingen

M en V hebben sinds 1996 een affectieve relatie met elkaar en wonen sinds 2015 samen. In 2017 kopen zij gezamenlijk een woning. Ter gelegenheid daarvan sluiten zij een notarieel samenlevingscontract, waarvan artikel 6 lid 4 luidt: ‘Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (…) in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.’ In februari 2019 beëindigen partijen hun relatie en samenwoning.

Lees meer

Ontslagvergoeding valt niet in ontbonden huwelijksgemeenschap

M en V zijn in 1995 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In 2017 sluit M een vaststellingsovereenkomst met zijn werkgever, waarin staat:
‘1. De arbeidsovereenkomst wordt met wederzijds goedvinden beëindigd met ingang van 1 maart 2018 (…).
2. Werkgever zal werknemer in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per de Beëindigingsdatum op basis van artikel 4.1, 4.2, 4.4 en 4.5 Sociaal Plan een Beëindigingsvergoeding, vermeerderd met de Transitietermijn en verminderd met de extra maand na [datum], betalen van € 243.872,52 bruto (…).’
Op grond hiervan krijgt M in maart 2018 een nettobedrag van € 117.180,70 uitbetaald. Kort daarna gaan M en V feitelijk uiteen, in 2019 wordt hun huwelijk door echtscheiding ontbonden.

Partijen twisten over de vraag of de ontslagvergoeding van M deel uitmaakt van hun ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. V gaat in hoger beroep.

Lees meer

Kinderalimentatie en het ontbreken van draagkracht in tijden van Corona

M en V zijn met elkaar gehuwd. Zij hebben gezamenlijk een horecaonderneming. Uit het huwelijk zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren. In 2016 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij V.

Lees meer

Kinderalimentatie en gelijke verdiencapaciteit

V1 en V2 zijn in 2009 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Zij zijn de ouders van twee (nu nog minderjarige kinderen), over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2019 wordt het geregistreerd partnerschap ontbonden. Het hoofdverblijf van het oudste kind is bij V1, het jongste kind heeft het hoofdverblijf bij V2. Tussen partijen is een omgangsregeling van kracht, waarbij de kinderen de ene week bij V1 verblijven en de andere week bij V2.

Lees meer

Vereffenaar niet aansprakelijk voor nalatenschapskosten voorafgaand aan beneficiaire aanvaarding

Vijf maanden na het overlijden van erflater heeft één van de zes erfgenamen de nalatenschap beneficiair aanvaard. De overige erfgenamen hebben de nalatenschap verworpen.

Lees meer

Co-ouderschap in tijden van Corona

Uit de affectieve relatie tussen M en V is in 2015 dochter D geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2017 beëindigen partijen hun relatie. D heeft haar hoofdverblijfplaats bij M. Partijen zijn co-ouderschap overeengekomen, op grond waarvan D middels een week-op-week-af-regeling bij één van haar ouders verblijft. M heeft inmiddels in […]

Onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige

Uit het huwelijk tussen M en V is in 2007 zoon Z geboren. In 2017 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. Z heeft zijn hoofdverblijfplaats bij V. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 500 per maand. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door M te […]

Antwoord op prejudiciële vragen rond nietigheid niet-wijzigingsbeding kinderalimentatie

Prejudiciële vragen:

1. Is een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie gelet op de aard van de onderhoudsverplichting nietig?

2. Indien de vraag onder 1 ontkennend wordt beantwoord: is een niet-wijzigingsbeding met betrekking tot kinderalimentatie wel nietig wanneer ten nadele van de onderhoudsgerechtigde wordt afgeweken van de wettelijke en in de rechtspraktijk ontwikkelde maatstaven van behoefte en draagkracht?

3. Dient in geval het beding geldig is en de toets van art. 1:159 lid 3 BW moet worden aangelegd deze toets net zo stringent te worden toegepast als bij partneralimentatie dan wel minder stringent?

Lees meer