Schenking onder uitsluitingsclausule niet aangetoond

M en V zijn in 2012 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2016 door echtscheiding is ontbonden. Partijen twisten over de verdeling van huwelijksgoederengemeenschap

V verzoekt de Rechtbank te bepalen dat zij een vordering van € 28.000 heeft op de gemeenschap, althans voor de helft op het privévermogen van M, in verband met een schenking onder uitsluitingsclausule door haar vader. V verwijst naar het door haar overgelegde rekeningoverzicht, waaruit blijkt dat haar vader op 31 oktober 2013 een bedrag van € 28.000 van zijn spaarrekening naar zijn lopende rekening heeft overgemaakt met de omschrijving ‘i.v.m. aflossing schenking [V]’ en vervolgens van zijn lopende rekening een zelfde bedrag naar de hypotheekbank van partijen heeft overgemaakt met de omschrijving ‘[M] en [V], extra aflossing’. De Rechtbank wijst het verzoek af. V gaat in hoger beroep.

Lees meer

Artikel 1:160 BW en de kosten van het rechercheonderzoek

Het huwelijk tussen M en V is in 2011 ontbonden door echtscheiding ontbonden. De Rechtbank heeft de door M aan V te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 255 per maand. Inmiddels heeft V in X een nieuwe partner gevonden.

M verzoekt de Rechtbank te bepalen dat zijn onderhoudsplicht jegens V met ingang van 22 februari 2015 van rechtswege is geëindigd, aangezien V en X sinds die datum met elkaar samenwonen als waren zij gehuwd (artikel 1:160 BW). M onderbouwt deze stelling door overlegging van een in zijn opdracht opgesteld rechercherapport.

Lees meer

Kinderalimentatie: aandeel stiefouder

Uit de affectieve relatie tussen M en V wordt in 2002 dochter D geboren, over wie V van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. In 2004 beëindigen partijen hun relatie. D heeft haar hoofdverblijfplaats bij V. Tussen M en D is een omgangsregeling van kracht. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 430 per maand. Op 10 juli 2015 treedt V in het huwelijk met X.

Lees meer

Boedelgevolmachtigde moest rekening en verantwoording afleggen, geldlening aan erfgenaam was na 20 jaar verjaard!

1.  Een erfgenaam heeft van de andere erfgenamen een volmacht gekregen om de nalatenschap te beheren. Volgens de Rechtbank is hij als deelgenoot in een gemeenschap op grond van artikel 3:173 BW verplicht om jaarlijks en in ieder geval bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording te doen wanneer een deelgenoot dat vordert. Een dergelijke vordering behoeft geen bijzondere onderbouwing.

2.  De erflater had in 1987 aan een van de erfgenamen een lening verstrekt, die te allen tijde opeisbaar was met in achtneming van een opzegtermijn van 3 maanden. Volgens de Rechtbank geldt voor deze lening een verjaringstermijn van 20 jaar (artikel 3:307 lid 2 BW), die is gestart in 1987. Daarnaast was aan de erflater een hypotheek verstrekt, zodat ook op grond hiervan die rechtsvordering een verjaringstermijn van 20 jaar had (artikel 3:323 lid 3 BW). De verjaringstermijn van 20 jaar zou wel kunnen zijn verlengd met 5 jaar door stuiting, maar volgens de Rechtbank is niet gebleken dat de erfgenaam door erkenning van de vordering ervoor heeft gezorgd dat de verjaring is gestuit.

Rechtbank Noord-Nederland 19 juli 2017, ECLI_NL_RBNNE_2017_2805

Spaartegoeden kinderen behoren niet tot ontbonden huwelijksgemeenschap

M en V zijn in 2003 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk twee (nu nog minderjarige) kinderen zijn geboren. In 2012 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De kinderen hebben elk drie spaarrekeningen op naam staan. V heeft deze rekeningen echter leeggehaald.

M vordert verdeling van de spaartegoeden van de kinderen. De rechtbank wijst de vordering toe en deelt aan ieder van partijen de helft van de saldi toe. V gaat in hoger beroep. Volgens V vallen de spaartegoeden van de kinderen niet in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen en zijn zij derhalve niet voor verdeling vatbaar.

Lees meer

Nieuw kantooradres!

Met ingang van 8 augustus 2017 zijn wij gevestigd op het Noordeinde 2-E te Leiden. U bent vanzelfsprekend van harte welkom op ons nieuwe adres.

Het postadres zal met ingang van diezelfde datum worden: Parmentierweg 155, 2316 ZP Leiden.

De overige gegevens zoals de e-mailadressen en telefoonnummers blijven ongewijzigd.

Onvoldoende draagkracht voor kinderalimentatie

Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen M en V is een (nu nog minderjarig) kind geboren, over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij V. M ontvangt een bijstandsuitkering.

V verzoekt de rechtbank de door M aan haar te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 25 per maand. De rechtbank wijst het verzoek af, daartoe overwegende dat een bijstandsuitkering (uitkering krachtens de Participatiewet) niet kan worden aangemerkt als inkomen. V gaat in hoger beroep. Volgens haar dient, overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, te worden uitgegaan van een minimum draagkracht van € 25 per maand.

Lees meer

Gebruiksvergoeding gezamenlijke woning

In 2008 krijgen M en V een affectieve relatie met elkaar. In 2011 kopen zij gezamenlijk een woning waarin zij gaan samenwonen, en sluiten zij een notarieel samenlevingscontract. Op 2 september 2014 verbreken partijen hun relatie, als V de woning verlaat en elders haar intrek neemt. M woont nog altijd in de woning, die nog niet is verdeeld of verkocht.

Lees meer

Pensioenverrekening 30 jaar na einde huwelijk

M en V zijn in 1967 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 1986 door echtscheiding is ontbonden. De verdeling van de door M tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten is nimmer ter sprake gekomen. In 2009 heeft M de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Op 15 februari 2016 maakt V, bij brief van haar advocaat, alsnog aanspraak op verrekening van de waarde van de pensioenrechten van M.

V vordert verdeling bij helfte van de door M tot aan de echtscheiding (in 1986) opgebouwde pensioenrechten, conform het Boon/Van Loon -arrest (HR 27 november 1981, NJ 1982, 503). M beroept zich op rechtsverwerking, dan wel op de redelijkheid en billijkheid.

Lees meer

In Pretty Woman liep het toch heel anders af

M en V zijn in 1967 met elkaar gehuwd en wonen in [buitenland]. In 2002 leert M, tijdens een zakenreis, in een Amsterdamse sexclub prostituee X kennen, met wie hij een relatie krijgt. M geeft X dure cadeaus, een creditcard en neemt haar veelvuldig mee op reis. In oktober 2007 koopt X een huis voor € 1.615.000. M betaalt een deel van de koopsom, het restant financiert X middels een hypotheek. Als tegemoetkoming in de kosten betaalt M haar maandelijks € 15.000 en zegt toe de hypotheek te zullen aflossen.

Lees meer