Behoort spaarrekening minderjarig kind tot huwelijksgemeenschap ouders?

M en V zijn in 2006 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk wordt in 2012 zoon Z geboren, over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. Op 22 april 2015 openen partijen een spaarrekening voor Z, op 1 mei 2015 gaan zij feitelijk uiteen. In 2016 wordt hun huwelijk door echtscheiding ontbonden. In december 2019 boekt V het saldo van de spaarrekening van Z over naar haar eigen bankrekening. In februari 2020 wordt M belast met het eenhoofdig gezag over Z.

Lees meer

Man moet zich binnen drie dagen laten uitschrijven

M en V zijn in 2018 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk is in 2019 kind K geboren. Het gezin woont in een huurhuis. Inmiddels zijn partijen in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. Bij beschikking voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank onder meer V bij uitsluiting gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke huurwoning, met bevel dat M de woning moet verlaten en verder niet mag betreden.

Lees meer

Nihilstelling kinderalimentatie

Uit het huwelijk tussen M en V zijn drie (nu nog minderjarige) kinderen geboren. In 2014 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij V. Tussen hen en M is een omgangsregeling van kracht. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 266 per kind per maand.

Lees meer

Opdrachtgever uitvaart kan kosten verhalen op erfgenaam-vereffenaar

D heeft aan een uitvaartondernemer opdracht verstrekt om de crematie van haar vader te verzorgen. Later ontdekt D dat zij is onterfd en dat zij niet de begunstigde is van de verzekeringsuitkering waarmee de uitvaart had kunnen worden betaald. Desondanks wordt D aangesproken door de uitvaartondernemer om de kosten van de uitvaart te voldoen.

Lees meer

Onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige (2)

Uit het huwelijk tussen M en V zijn twee kinderen geboren: in 1998 zoon Z en in 2001 dochter D. In 2007 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

V verzoekt de rechtbank de door M te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding en/of levensonderhoud en studie van Z vast te stellen op € 300 per maand. De rechtbank wijst het verzoek af. V en Z gaan in hoger beroep. Daarbij spitst het geschil zich toe op de hoogte van de behoefte van Z, die een MBO-opleiding volgt.

Lees meer

Onderhoudsbijdrage jongmeerderjarige (1)

M en V zijn in 2005 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren. Uit een eerdere relatie van V is in 2002 dochter D geboren, die door M is erkend. In 2019 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

De rechtbank heeft de door M aan V te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van (de inmiddels jongmeerderjarige) D vastgesteld op € 93,57 per maand. V gaat in hoger beroep. D volgt een HBO-opleiding.
Volgens V moet de behoefte van D worden bepaald conform de normen voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Wet Studiefinanciering, ad € 897,56 per maand. De zorgtoeslag komt daarop in mindering. D heeft een lening bij DUO, zij ontvangt geen studiefinanciering in de vorm van een gift.
M betoogt dat er voor D niet veel is veranderd ten opzichte van haar behoefte als minderjarige. Indien wordt uitgegaan van de WSF-norm van € 897 per maand, moet de ontvangen zorgtoeslag in mindering worden gebracht, evenals de basishuur en de eigen inkomsten van D.

Lees meer

Samenlevingscontract kende geen vergoedingsrecht voor (latere) verbouwingen

M en V hebben sinds 1996 een affectieve relatie met elkaar en wonen sinds 2015 samen. In 2017 kopen zij gezamenlijk een woning. Ter gelegenheid daarvan sluiten zij een notarieel samenlevingscontract, waarvan artikel 6 lid 4 luidt: ‘Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning (…) in mede-eigendom wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.’ In februari 2019 beëindigen partijen hun relatie en samenwoning.

Lees meer

Ontslagvergoeding valt niet in ontbonden huwelijksgemeenschap

M en V zijn in 1995 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. In 2017 sluit M een vaststellingsovereenkomst met zijn werkgever, waarin staat:
‘1. De arbeidsovereenkomst wordt met wederzijds goedvinden beëindigd met ingang van 1 maart 2018 (…).
2. Werkgever zal werknemer in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per de Beëindigingsdatum op basis van artikel 4.1, 4.2, 4.4 en 4.5 Sociaal Plan een Beëindigingsvergoeding, vermeerderd met de Transitietermijn en verminderd met de extra maand na [datum], betalen van € 243.872,52 bruto (…).’
Op grond hiervan krijgt M in maart 2018 een nettobedrag van € 117.180,70 uitbetaald. Kort daarna gaan M en V feitelijk uiteen, in 2019 wordt hun huwelijk door echtscheiding ontbonden.

Partijen twisten over de vraag of de ontslagvergoeding van M deel uitmaakt van hun ontbonden huwelijksgemeenschap. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. V gaat in hoger beroep.

Lees meer

Kinderalimentatie en het ontbreken van draagkracht in tijden van Corona

M en V zijn met elkaar gehuwd. Zij hebben gezamenlijk een horecaonderneming. Uit het huwelijk zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren. In 2016 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij V.

Lees meer

Kinderalimentatie en gelijke verdiencapaciteit

V1 en V2 zijn in 2009 een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Zij zijn de ouders van twee (nu nog minderjarige kinderen), over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. In 2019 wordt het geregistreerd partnerschap ontbonden. Het hoofdverblijf van het oudste kind is bij V1, het jongste kind heeft het hoofdverblijf bij V2. Tussen partijen is een omgangsregeling van kracht, waarbij de kinderen de ene week bij V1 verblijven en de andere week bij V2.

Lees meer