Draagplicht hypothecaire lasten bij ongelijke eigendomsverhouding

M en V hebben een affectieve relatie met elkaar en kopen in 1991 een woning: V voor 2/3 en M voor 1/3 onverdeeld aandeel. De aankoop wordt gefinancierd met een gezamenlijke hypothecaire geldlening. Over de draagplicht van die schuld maken partijen geen nadere afspraken.
In 1992 trouwen partijen op huwelijkse voorwaarden (uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, periodiek verrekenbeding). In 2008 lost V € 45.000 af op de hypotheek met eigen vermogen. Twee jaar later, in 2010, wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden.

Lees meer

Erfgenamen door zuivere aanvaarding gedwongen om legaat uit eigen vermogen te voldoen

De kinderen van de erflater hebben zijn nalatenschap zuiver aanvaard, maar de omvang van de nalatenschap is onvoldoende om het legaat van € 100.000 “vrij van rechten en kosten” te voldoen.

Lees meer

Kinderalimentatie: gedachte achter het forfaitaire rekenstelsel woonlasten

Uit de affectieve relatie tussen M en V zijn twee (nu nog minderjarige) kinderen geboren, over wie V van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. In 2015 beëindigen partijen hun relatie en samenwoning. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij V.

De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 159 per kind per maand. V gaat in hoger beroep. Volgens haar heeft de rechtbank ten onrechte geen rekening gehouden met de werkelijke woonlasten van M, die aanzienlijk lager zijn dan de forfaitaire woonlasten.

Lees meer

Schenking onder uitsluitingsclausule niet aangetoond

M en V zijn in 2012 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, welk huwelijk in 2016 door echtscheiding is ontbonden. Partijen twisten over de verdeling van huwelijksgoederengemeenschap

V verzoekt de Rechtbank te bepalen dat zij een vordering van € 28.000 heeft op de gemeenschap, althans voor de helft op het privévermogen van M, in verband met een schenking onder uitsluitingsclausule door haar vader. V verwijst naar het door haar overgelegde rekeningoverzicht, waaruit blijkt dat haar vader op 31 oktober 2013 een bedrag van € 28.000 van zijn spaarrekening naar zijn lopende rekening heeft overgemaakt met de omschrijving ‘i.v.m. aflossing schenking [V]’ en vervolgens van zijn lopende rekening een zelfde bedrag naar de hypotheekbank van partijen heeft overgemaakt met de omschrijving ‘[M] en [V], extra aflossing’. De Rechtbank wijst het verzoek af. V gaat in hoger beroep.

Lees meer

Artikel 1:160 BW en de kosten van het rechercheonderzoek

Het huwelijk tussen M en V is in 2011 ontbonden door echtscheiding ontbonden. De Rechtbank heeft de door M aan V te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 255 per maand. Inmiddels heeft V in X een nieuwe partner gevonden.

M verzoekt de Rechtbank te bepalen dat zijn onderhoudsplicht jegens V met ingang van 22 februari 2015 van rechtswege is geëindigd, aangezien V en X sinds die datum met elkaar samenwonen als waren zij gehuwd (artikel 1:160 BW). M onderbouwt deze stelling door overlegging van een in zijn opdracht opgesteld rechercherapport.

Lees meer

Kinderalimentatie: aandeel stiefouder

Uit de affectieve relatie tussen M en V wordt in 2002 dochter D geboren, over wie V van rechtswege het eenhoofdig ouderlijk gezag uitoefent. In 2004 beëindigen partijen hun relatie. D heeft haar hoofdverblijfplaats bij V. Tussen M en D is een omgangsregeling van kracht. De rechtbank heeft de door M aan V te betalen kinderalimentatie vastgesteld op € 430 per maand. Op 10 juli 2015 treedt V in het huwelijk met X.

Lees meer

Boedelgevolmachtigde moest rekening en verantwoording afleggen, geldlening aan erfgenaam was na 20 jaar verjaard!

1.  Een erfgenaam heeft van de andere erfgenamen een volmacht gekregen om de nalatenschap te beheren. Volgens de Rechtbank is hij als deelgenoot in een gemeenschap op grond van artikel 3:173 BW verplicht om jaarlijks en in ieder geval bij het einde van zijn beheer rekening en verantwoording te doen wanneer een deelgenoot dat vordert. Een dergelijke vordering behoeft geen bijzondere onderbouwing.

2.  De erflater had in 1987 aan een van de erfgenamen een lening verstrekt, die te allen tijde opeisbaar was met in achtneming van een opzegtermijn van 3 maanden. Volgens de Rechtbank geldt voor deze lening een verjaringstermijn van 20 jaar (artikel 3:307 lid 2 BW), die is gestart in 1987. Daarnaast was aan de erflater een hypotheek verstrekt, zodat ook op grond hiervan die rechtsvordering een verjaringstermijn van 20 jaar had (artikel 3:323 lid 3 BW). De verjaringstermijn van 20 jaar zou wel kunnen zijn verlengd met 5 jaar door stuiting, maar volgens de Rechtbank is niet gebleken dat de erfgenaam door erkenning van de vordering ervoor heeft gezorgd dat de verjaring is gestuit.

Rechtbank Noord-Nederland 19 juli 2017, ECLI_NL_RBNNE_2017_2805

Spaartegoeden kinderen behoren niet tot ontbonden huwelijksgemeenschap

M en V zijn in 2003 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk twee (nu nog minderjarige) kinderen zijn geboren. In 2012 wordt het huwelijk door echtscheiding ontbonden. De kinderen hebben elk drie spaarrekeningen op naam staan. V heeft deze rekeningen echter leeggehaald.

M vordert verdeling van de spaartegoeden van de kinderen. De rechtbank wijst de vordering toe en deelt aan ieder van partijen de helft van de saldi toe. V gaat in hoger beroep. Volgens V vallen de spaartegoeden van de kinderen niet in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen en zijn zij derhalve niet voor verdeling vatbaar.

Lees meer

Nieuw kantooradres!

Met ingang van 8 augustus 2017 zijn wij gevestigd op het Noordeinde 2-E te Leiden. U bent vanzelfsprekend van harte welkom op ons nieuwe adres.

Het postadres zal met ingang van diezelfde datum worden: Parmentierweg 155, 2316 ZP Leiden.

De overige gegevens zoals de e-mailadressen en telefoonnummers blijven ongewijzigd.

Onvoldoende draagkracht voor kinderalimentatie

Uit de – inmiddels beëindigde – affectieve relatie tussen M en V is een (nu nog minderjarig) kind geboren, over wie partijen gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige is bij V. M ontvangt een bijstandsuitkering.

V verzoekt de rechtbank de door M aan haar te betalen kinderalimentatie vast te stellen op € 25 per maand. De rechtbank wijst het verzoek af, daartoe overwegende dat een bijstandsuitkering (uitkering krachtens de Participatiewet) niet kan worden aangemerkt als inkomen. V gaat in hoger beroep. Volgens haar dient, overeenkomstig de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen, te worden uitgegaan van een minimum draagkracht van € 25 per maand.

Lees meer